Uitspraak Kantonrechter in zake vergoedingen Pieter Elbers
Afgelopen donderdag namen wij kennis van het bericht in de krant over de vergoedingen die KLM aan Pieter Elbers dient uit te keren mede in verband met zijn vertrek bij KLM. Afgelopen vrijdag hebben wij hierbij een toelichting gekregen van de heer Cees ’t Hart, voorzitter van de Raad van Commissarissen (RvC) van KLM.
De uitspraak van de kantonrechter tref je hierbij aan: Vonnis KLM Elbers 2022
Wij kunnen ons voorstellen dat de uitspraak vragen oproept, zeker bij KLM’ers. Het is daarom verstandig de uitspraak van de rechter eerst eens goed te lezen. Opmerkelijk is natuurlijk dat de uitspraak (die is van 4 augustus jl.) niet eerder met ons is gedeeld. De heer ’t Hart merkte daarover op dat de RvC voornemens was in het jaarverslag 2022 iets te publiceren over de aan de heer Elbers te verstrekken vergoedingen. Dat is volgens de heer ’t Hart de gebruikelijke route.
In normale tijden, waarin geen sprake is van staatssteun en een arbeidsvoorwaardelijke bijdrage, zou kunnen worden volstaan met slechts een publicatie in het jaarverslag. In het licht van de huidige situatie zijn wij van mening dat de RvC het KLM-personeel juist wel eerder (uit eigen beweging) had moeten informeren.
Vanzelfsprekend moet KLM aan haar wettelijke verplichtingen voldoen en invulling geven aan de afspraken die zij maakt met haar medewerkers. Dat geldt ook voor de verplichtingen jegens de CEO. In dit geval is er wijselijk voor gekozen om de rechter te vragen te bepalen of en in hoeverre, gegeven ook de afspraken die met de overheid zijn gemaakt (Framework Agreement), invulling moest worden gegeven aan de verplichtingen voortvloeiende uit de wet en de met de heer Elbers gemaakte afspraken. De rechter heeft daar duidelijke uitspraken over gedaan.
De kantonrechter achtte het uitbetalen van “variabele looncomponenten” die verschuldigd waren vóór corona niet in strijd is met de Framework Agreement. Een interessante passage in het vonnis.
De heer ’t Hart benadrukte dat de heer Elbers de voorbije jaren een aanzienlijk deel van zijn inkomen heeft ingeleverd (blijkens het vonnis 45% in 2020 en 47% in 2021 ten opzichte van 2019).